Gedichten

Daniel Billiet adopteert een huis in Doel

Eindelijk zonder drempelvrees

Ze konden bij elkander niet komen,
want hun leven lang stond een huis
tussen hen in. Nu bewegen ze, dansen
deze dakloze deuren bij het water.

Met elke beweging gaan ze nu mee.
Elke windstoot is een partner. Zie hoe
gewillig ze volgen, hoe ze keren en
draaien om hun afgedankte as.

Eindelijk vrij de dans te bedrijven
met een anders gelijk lichaam, daarin mee
te gaan, op te gaan als in een dansend vuur.

Laat ze, o laat ze met elkaar dansen, laat ze
samenvallend zich warmen in de vurige armen
van je gezellige  open haard.

 

 

Frank De Vos adopteert een hoekhuis in Doel.

Rainer, es ist Zeit.

Afscheidslied voor Doel.
Naar ‘Herbsttag’ van Rainer Maria Rilke

Kom Rainer, het is tijd nu voor het afscheid van gewoel,
de grote zomer die er was, de volle rijpe vruchten
die je vroeg, beschimmelen op rotte polderaarde.

De bladeren draven onrustig door de eenzame straten.
Niet langer klinkt er zuiderse wijn in zwaar gevulde glazen,
noch warmen de nokken het onderdak voor slapende dagen.

Het loog van razernij blies verwelkte huizen op,
her en der de strop waaraan mensen zich verhingen.
De Königsblaue inkt is in de bek van Pelikan verdord,

in lange brieven de verdroogde woorden, vondelingen
met vergane letters aan de lippen, braakballen die stuiteren
in elke mond, in de krop van ruivende, gepluimde kippen.

Ach Rainer, het is tijd nu voor het afscheid dat afscheid neuriet,
voor de meeldauw van graffiti op kankerende muren,
voor het alles dat nog kreunt, voor het niets dat nu ontploft.

 

 

Mark Meekers adopteert een plek in Doel, waar ooit een huis stond.

Kadastraal inkomen: nihil

geen erfgoed of paleis, wel erg goed: eigen
haard was goud waard
. noem het een nest
van steen. er werd warmte gebakken. onze
schaduwen kusten elkaar op de zwarte mond.

kinderen luisterden zich in slaap bij het
xylofoonspel van stortbuien op de pannen.
de toekomst was er thuis. wij stonden als
een heilige familie onder een glazen stolp.

tot een tik van Hogerhand ons kraakte,
scherven maakte. wat konden wij, lagere
dieren meer dan opspringen, grommen tegen
de graafmachines? ik bel aan de deur van

een huis dat er stond. ze verloor haar stem.
ik klop bij de leegte aan, die ik doorslik en
herkauw, herkauw. mijn toekomst is over-
woekerd met kommer en judaspenningen.